Hallucinante pogingen
Auteurs van goede stukken over beeldende kunst laten hun lezers meeleven met wat ze ervaren in musea of galerieën. Vooral academisch geschoolde critici hebben nog wel eens de neiging om te vergeten dat kunst in eerste instantie een beleving is. Met een kist vol jargon, ogenschijnlijke precisie-instrumenten, wekken ze de suggestie allerlei objectieve duidingen te geven, terwijl ze er op die manier juist prikkeldraad omheen wikkelen.
De beste stukken uit het genre hebben voor mij altijd iets lichts, iets van een verademing. Waarschijnlijk omdat ze de pretentie van objectiviteit overboord hebben gegooid. Cees Nooteboom beschrijft dat bijvoorbeeld heel aardig, na een gewaagde these over Caspar David Friedrich: “Valt zoiets te bewijzen? Ik weet het niet, maar de poging is hallucinant, ook al omdat de schilderijen natuurlijk niet iets terugzeggen, dat moet net zoiets zijn als een bezoek bij een stomme psychiater. Er valt over schilderkunst, zeker als je afstand neemt van de materiële aspecten, nu eenmaal weinig objectiefs te zeggen.” (Nootebooms hotel, p 169)
In de essays over beeldende kunst die Nooteboom sporadisch in Vrij Nederland schrijft, wandel je met de auteur mee, en heb je na lezing het gevoel op reis te zijn geweest. Neem een passage uit een stuk van 18 september 2009, over de tentoonstelling ‘La Sombra’ in Madrid: “Zelfs het grote affiche van Picasso, met de enorme slagschaduw van een mannenfiguur over het hele schilderij had mij, toen ik het op straat zag, nog niet van het feit doordrongen dat ik in de komende uren meer over schaduwen zou moeten nadenken dan ik ooit in mijn leven gedaan had.”
In het beste geval leen je als lezer van een kunstkritiek het hoofd van degene die deze schrijft, waardoor er verbindingen ontstaan die je voorheen nog niet zag. Dat kan zelfs met overbekend werk. Zelfs met dat van Johannes Vermeer, zoals de schitterende documentaire Views on Vermeer van Hans Pool en Koos de Wilt laat zien, tien korte films waarin kunstenaars en denkers hun visie geven op Vermeer. In het laatste deel (vanaf minuut 49) is Alain de Botton aan het woord. Hij doet exact wat volgens mij een goede kunstessayist moet doen. In glashelder alledaags taalgebruik, geeft hij een particuliere visie op Vermeer die je meteen een scheut enthousiasme bezorgt.
“Vermeer zet vraagtekens bij ons idee wat nieuws is, wat er toe doet,” begint hij, om het even later over de agenda van Obama te hebben en over Hollywoodfilmsterren. Heeft dat iets met Vermeer te maken? Wel als we het hoofd van Alain de Botton lenen. “Kijk nou eens, Hilary Swanks. Zou Vermeer haar geschilderd hebben? Vast niet, ze ziet er te zeker uit, te openlijk sexy en aantrekkelijk.” Dit soort reflecties en verbanden komen uiteindelijk mooi terecht, als hij de conclusie plaatst: “Ik denk dat het ideaalbeelden zijn van de echte wereld, onze wereld.” En: “We zijn Vermeer bijna dankbaar dat hij ons redt van de afgunst en ontevredenheid die de glossy’s oproepen.”
Valt zoiets te bewijzen? Ik weet het niet, maar de poging is hallucinant. En zo hoop ik ook op hallucinante pogingen te stuiten onder de inzendingen voor deze prijs.
Christiaan Weijts